Naoorlogse jaren: kleinschaligheid en de Wallen
Tot ver in de jaren zestig was de Amsterdamse onderwereld een relatief overzichtelijke wereld. Het zwaartepunt lag rond de Wallen en de Zeedijk: prostitutie, gokken, kleinschalige heling, illegale loterijen, vechtpartijen tussen kroegbazen. De netwerken waren overwegend lokaal en de figuren waren bij politie en horeca persoonlijk bekend.
In die jaren ontbrak nog de grote schaalsprong die later zou volgen. Wapengeweld kwam voor, maar dodelijke afrekeningen waren een uitzondering. De handhaving was deels formeel, deels informeel: agenten kenden de buurt, regelden veel via persoonlijke contacten en lieten kleinere overtredingen vaak rusten.
Die balans verschoof toen de drugsmarkt in de jaren zeventig veranderde. Eerst kwam hashish op grote schaal binnen, later heroïne en uiteindelijk cocaïne. Daarmee veranderde ook het soort criminaliteit. Het ging niet meer alleen om misdrijven 'in de marge', maar om een handel waarin miljoenen omgingen en waarin geschillen niet langer met de vuisten werden uitgevochten.
Jaren zeventig en tachtig: de schaalvergroting
Met de hashhandel kwam een nieuwe generatie criminelen naar voren. Klaas Bruinsma, die rond 1980 actief werd, geldt als een sleutelfiguur in die schaalvergroting. Hij organiseerde de invoer en distributie van grote partijen hashish op een manier die meer leek op een logistieke onderneming dan op de oude rosse-buurtcriminaliteit.
In deze periode raakte de term 'georganiseerde misdaad' echt in zwang. De netwerken werden internationaal: aanvoerlijnen vanuit Marokko, doorvoer via Spanje, distributie naar heel Noordwest-Europa. Tegelijk groeide het geweld. Conflicten over partijen, betalingen en grondgebied werden steeds vaker met vuurwapens beslecht.
In 1983 vond de Heineken-ontvoering plaats, een zaak die ook decennia later nog doorwerkt in de Amsterdamse onderwereldgeschiedenis. De betrokkenen, onder wie Willem Holleeder en Cor van Hout, kwamen na hun straf in een milieu terecht waarin de oude grenzen tussen gewone misdaad en georganiseerde drugshandel volledig waren vervaagd. In 1991 werd Bruinsma op straat doodgeschoten bij het Hilton, een moment dat vaak wordt aangemerkt als kantelpunt.
Jaren negentig: vastgoed en witwassen
Na de dood van Bruinsma versplinterde zijn netwerk. Erfgenamen en concurrenten verdeelden onderdelen onder elkaar. Tegelijk veranderde de aard van de criminaliteit. Drugsgeld werd op grote schaal geïnvesteerd in vastgoed, vaak via tussenpersonen die formeel een schone reputatie hadden.
Vooral het Amsterdamse vastgoed bleek een geschikte route om winsten weg te zetten. Panden werden onder de marktprijs aangekocht en later met opbrengsten uit nieuwe drugstransporten 'aangezuiverd'. Onderzoekscommissies, waaronder de commissie-Van Traa, brachten begin jaren negentig in kaart hoe diep deze verwevenheid van bovenwereld en onderwereld inmiddels was.
Naar het einde van het decennium liep de onderlinge concurrentie hoog op. Schietpartijen op straat namen toe, en in 2000 brak een gewelddadige strijd uit die jaren zou aanhouden. In die periode raakte ook de roep om een steviger juridisch instrumentarium, zoals de regeling voor kroongetuigen, in een stroomversnelling.
Jaren 2000 en 2010: van klassieke families naar wisselende netwerken
In de eerste decennia van deze eeuw verschoof het beeld opnieuw. De klassieke gezichten van de Amsterdamse onderwereld werden ouder, kwamen vast te zitten of vielen weg. Op hun plek kwamen losse, wisselende netwerken: groepen jonge mannen die soms slechts voor één klus samenwerkten, vaak met internationale contacten.
De markt voor cocaïne werd dominanter dan ooit, met de havens van Rotterdam en Antwerpen als belangrijke aanvoerpunten. Amsterdam bleef daarbij vooral de plek waar geld en macht zich concentreerden, terwijl het feitelijke logistieke werk steeds vaker buiten de stad plaatsvond.
In deze periode kwamen ook de grote strafprocessen tot ontwikkeling. Het Passageproces en later het Marengo-proces deden uitspraak over reeksen liquidaties die teruggrepen op de eerder genoemde versplintering. Tegelijk groeide de aandacht voor het geweld tegen advocaten, journalisten en getuigen, dat in deze jaren een nieuw en alarmerend gezicht kreeg.
Vandaag: minder klassieke afrekeningen, ander geweld
Het beeld in 2026 wijkt af van dat van twintig jaar geleden. Het aantal klassieke liquidaties op straat is gedaald, mede door betere bewaking van bekende doelwitten en door langlopende strafzaken die delen van netwerken uit roulatie hebben gehaald. Tegelijk verschuift het geweld naar nieuwe vormen: zware aanslagen met explosieven, intimidatie van getuigen en bedreiging van professionals in de strafrechtketen.
De stad zelf voelt die verschuiving. Buurten waarin in eerdere decennia weinig zichtbaar was van de onderwereld, krijgen nu te maken met explosies bij woonpanden en met jongeren die voor weinig geld een opdracht uitvoeren. De grote namen blijven minder lang in beeld dan vroeger; veel structuren zijn project-gebaseerd in plaats van familie-gebaseerd.
De geschiedenis van de Amsterdamse onderwereld laat zien dat dit milieu zich blijft aanpassen aan de markt en aan het optreden van politie en justitie. Dat is geen vooruitgang, maar wel een verklaring waarom de aanpak nooit af is. Wat in de jaren tachtig effectief leek, werkt vandaag onvoldoende. En wat vandaag werkt, vraagt morgen alweer aanpassing.