Box 3: kort gezegd
Box 3 is het deel van de inkomstenbelasting dat gaat over je vermogen: spaargeld, beleggingen, een tweede woning, vorderingen, cryptovaluta. Niet over je eigen huis, niet over een eventuele pensioenpot, en niet over de inboedel. Wat er dan precies overblijft, daar wordt belasting over geheven volgens regels die de afgelopen jaren behoorlijk in beweging zijn geweest.
In 2026 bevindt box 3 zich nog steeds in een overgangsfase. De wetgever is bezig met een nieuw systeem dat werkelijk rendement belast, gepland vanaf 2028. Tot die tijd geldt een tussenoplossing met forfaitaire rendementspercentages, gecombineerd met de mogelijkheid om werkelijk rendement aan te tonen als dat lager uitvalt. Dat klinkt ingewikkeld, en eerlijk gezegd is het dat ook een beetje.
In dit artikel lopen we de hoofdlijnen langs. We kijken naar het heffingvrij vermogen, de forfaitaire percentages voor 2026, de tegenbewijsregeling, en wat dat allemaal in de praktijk betekent voor je portemonnee. Geen advies, wel een neutraal overzicht van hoe het stelsel in elkaar zit.
Heffingvrij vermogen in 2026
Voordat je überhaupt box 3-belasting betaalt, mag je een deel van je vermogen vrijhouden. Dat heet het heffingvrij vermogen. In 2026 bedraagt dit 59.357 euro per persoon. Heb je een fiscaal partner, dan tellen jullie vermogens samen en geldt een vrijstelling van 118.714 euro voor jullie samen.
Het heffingvrij vermogen werkt als een drempel. Heb je minder vermogen dan dit bedrag, dan kom je niet aan box 3-belasting toe. Heb je net iets meer, dan wordt alleen het bedrag boven de drempel in de berekening meegenomen. Dat is een belangrijk verschil met een tariefstaffel: het is geen schijvensysteem maar een eenvoudige vrije voet.
Naast de algemene vrijstelling zijn er specifieke vrijstellingen voor bepaalde bezittingen. Denk aan een aantal groene beleggingen met een eigen vrijstelling, of contant geld tot een bescheiden bedrag. Schulden mogen ook worden meegerekend, met een eigen drempelbedrag. Per saldo is wat je vermogen in box 3 is: bezittingen minus schulden, minus vrijstellingen, minus de heffingvrije voet.
Forfaitair rendement in 2026
Het kernidee van het huidige stelsel: de Belastingdienst gaat ervan uit dat je over je vermogen een bepaald rendement haalt, zonder te kijken naar wat je werkelijk hebt verdiend. Dat heet forfaitair rendement. Er zijn drie categorieën: banktegoeden, overige bezittingen, en schulden. Elk met een eigen percentage dat jaarlijks wordt vastgesteld.
Voor 2026 is het forfaitair percentage voor overige bezittingen vastgesteld op 6 procent. Dat is een verlaging ten opzichte van eerdere jaren, waarin het percentage hoger lag. Voor banktegoeden en schulden worden de percentages pas later definitief, omdat ze gebaseerd zijn op de daadwerkelijke gemiddelde spaarrente in dat jaar. Dat percentage is daardoor in de regel een stuk lager.
Over het zo berekende fictieve rendement betaal je 36 procent belasting. Een vereenvoudigd voorbeeld: heb je 100.000 euro aan beleggingen en geen heffingvrij vermogen meer over, dan rekent de Belastingdienst met 6.000 euro fictief rendement. Daar betaal je 36 procent van, dus 2.160 euro. Of dat overeenkomt met wat je echt hebt verdiend in dat jaar is een andere kwestie.
Tegenbewijsregeling: werkelijk rendement
Na arresten van de Hoge Raad mag je in box 3 inmiddels kiezen voor je werkelijke rendement als dat lager uitvalt dan het forfaitair berekende rendement. Deze tegenbewijsregeling is bedoeld om scheefgroei tegen te gaan: het kan niet zo zijn dat de Belastingdienst je belast op een veronderstelde winst die je in werkelijkheid helemaal niet hebt gemaakt.
Wat telt mee als werkelijk rendement? In de regel: ontvangen rente op spaargeld, ontvangen dividend, gerealiseerde en ongerealiseerde waardemutaties van beleggingen, en huur uit verhuur. Kosten, zoals beheerskosten van een fonds, mogen meestal niet worden afgetrokken. Ook moet je het werkelijke rendement van je hele box 3-vermogen opgeven, niet alleen het stukje dat slecht heeft gerendeerd.
De tegenbewijsregeling vraag je aan via Mijn Belastingdienst, vaak met een speciaal formulier of via een opgaaf werkelijk rendement. Houd er rekening mee dat je het werkelijke rendement zelf moet kunnen onderbouwen met bewijsstukken. Voor mensen met een rustige spaarrekening waarop weinig rente staat, kan dit gunstig uitpakken. Voor mensen met goed renderende beleggingen meestal niet.
Wat staat er op de planning voor de toekomst
Het kabinet werkt al jaren aan een definitief nieuw stelsel waarin werkelijk rendement het uitgangspunt wordt. Op dit moment is de planning dat dit stelsel vanaf 2028 ingaat. Tot die tijd blijft de combinatie van forfaitaire percentages met tegenbewijs bestaan, met jaarlijkse aanpassingen aan de percentages.
De gedachte achter het nieuwe stelsel is dat je betaalt over wat je werkelijk hebt verdiend, niet over een fictieve aanname. Praktisch gezien betekent dat: meer administratie, meer gegevens die de Belastingdienst moet kunnen verwerken, en mogelijk een nieuwe set spelregels rond verliezen en kosten. Hoe het exact wordt vormgegeven, hangt nog van wetgeving en politieke keuzes af.
Voor 2026 is dat allemaal nog toekomstmuziek. Houd er rekening mee dat de regels voor je box 3-vermogen het komende jaar gewoon het huidige stelsel volgen: forfait met tegenbewijs. Het kan slim zijn om een eigen administratie bij te houden van rentes, dividenden en waardeontwikkelingen, zodat je later kunt kiezen welke route fiscaal gunstiger is.
Praktische blik op je eigen situatie
Voor de meeste mensen geldt: zolang je vermogen onder of net rond de heffingvrije voet zit, merk je weinig van box 3. Een spaarrekening met een paar tienduizend euro raakt vaak nog niet aan de drempel. Wordt het vermogen groter, dan begint het te tellen, en zeker bij overig vermogen zoals beleggingen of een tweede woning loopt het op.
Een aandachtspunt is de peildatum. Voor box 3 telt het vermogen op 1 januari van het belastingjaar. Wat je op 31 december 2025 had staan, bepaalt grotendeels wat je voor belastingjaar 2026 aan box 3 kwijt bent. Wat daarna nog binnenkomt of weggaat, telt pas mee voor volgend jaar. Dat maakt jaarafsluiting fiscaal soms relevant.
Mocht je twijfelen tussen forfait en tegenbewijs, dan is het rekenen waard. De Belastingdienst rekent automatisch met het forfait. Wil je het werkelijke rendement kiezen, dan moet je dat actief aangeven. Voor een grove indicatie helpt het om je rendement van het hele jaar bij elkaar op te tellen en te vergelijken met wat het forfait zou opleveren.