Wat is stadsverwarming precies?
Bij stadsverwarming krijg je je warmte niet uit een eigen cv-ketel, maar via een netwerk van warmwaterleidingen vanuit een centrale bron. Die bron kan een afvalverbrandingscentrale zijn, een biomassacentrale, restwarmte van een fabriek, of tegenwoordig steeds vaker een aquathermie- of geothermiebron.
In je huis hangt geen cv-ketel maar een warmte-afleverset (afgekort WAS). Dat is een soort warmtewisselaar die de warmte uit het stadsnet overdraagt aan je eigen radiatoren of vloerverwarming, en aan je tapwater. Onderhoud van die set hoort meestal bij het standaardtarief.
Groot voordeel: je hebt geen gasaansluiting nodig, dus geen netbeheerkosten voor gas. Geen onderhoud van een cv-ketel. Geen risico op CO-vergiftiging. In nieuwbouwwijken is het inmiddels de standaard.
Nadeel: je kunt niet shoppen tussen warmteleveranciers. De leverancier in jouw wijk is een monopolist, vergelijkbaar met je netbeheerder. Daarom houdt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) jaarlijks toezicht op de maximumtarieven. Veel huishoudens zijn afhankelijk van die maximumprijs zonder zelf te kunnen onderhandelen.
Hoe wordt je verbruik gemeten?
Bij stadsverwarming wordt je verbruik niet in kubieke meters gas of kilowattuur stroom uitgedrukt, maar in gigajoule (GJ). Een gigajoule is een eenheid energie. Ter vergelijking: één gigajoule komt ongeveer overeen met 31 m³ gas, of 278 kWh stroom.
In de warmte-afleverset zit een warmtemeter. Die meet hoeveel warm water er door je systeem stroomt en hoe groot het temperatuurverschil is tussen het binnenkomende en uitgaande water. Daaruit wordt het aantal GJ berekend dat je hebt afgenomen.
Een gemiddeld appartement verbruikt 15 tot 25 GJ per jaar, een eengezinswoning 25 tot 45 GJ. Heb je goed geïsoleerd of woon je met één persoon, dan kun je onder de 15 GJ uitkomen. Een tochtige eengezinswoning op het noorden kan boven de 50 GJ uitkomen.
Met een slimme warmtemeter wordt je verbruik op afstand uitgelezen, vergelijkbaar met een slimme gasmeter. Heb je een oude meter, dan komt er één keer per jaar iemand langs voor de opname. Bij verhuizing moet er een tussentijdse meterstand opgenomen worden, en gaat de afleverset eventueel naar je naam over.
Het NMDA-principe en hoe het tarief tot stand komt
Tot 2026 geldt voor stadsverwarming het NMDA-principe: Niet Meer Dan Anders. Dat wil zeggen: een huishouden met stadsverwarming mag niet duurder uit zijn dan een vergelijkbaar huishouden dat verwarmt met een hr-ketel op gas. De ACM stelt jaarlijks de maximumtarieven vast op basis van die vergelijking.
Voor de berekening kijkt de ACM naar de gemiddelde kosten van een referentiehuishouden met een gasketel: gasprijs, energiebelasting, onderhoud, afschrijving van de ketel. Dat totaalbedrag wordt gedeeld door het aantal gigajoules dat zo'n huishouden zou verbruiken, en dat is dan het maximumtarief per GJ.
In 2026 is het maximum variabel tarief vastgesteld op 40,97 euro per GJ (inclusief btw). Dat is een lichte daling ten opzichte van 43,79 euro in 2025. Reden: de gasprijzen daalden licht, wat in de referentieberekening doorwerkt.
Vanaf 2026 telt de ACM voor de gasreferentie niet alleen de gemiddelde prijs in september, oktober en november — drie meetpunten in plaats van eerder slechts één. Dat geeft een stabieler beeld en voorkomt dat één toevallige piekmaand de tarieven voor het hele volgende jaar omhoog jaagt.
De vaste kosten in 2026
Naast het variabele tarief per gigajoule betaal je vaste kosten. Die dekken het hebben van een aansluiting, het onderhoud aan de afleverset en het transport van warmte. Voor 2026 heeft de ACM het maximum vastrecht voor stadsverwarming vastgesteld op 827,91 euro per jaar inclusief btw — een stijging ten opzichte van 760,77 euro in 2025.
Dat is een aanzienlijk bedrag. Voor een huishouden dat slechts 5 GJ per jaar verbruikt — bijvoorbeeld in een goed geïsoleerd appartement — kunnen de vaste kosten meer dan 50% van de totale rekening uitmaken. Voor een gemiddeld huishouden dat 25 GJ verbruikt, ligt het aandeel rond de 35%.
De stijging in 2026 zit precies in deze vaste kosten. Voor zuinige verbruikers betekent dat dat ze in 2026 tot 53 euro meer betalen dan in 2025, ondanks dat het variabele tarief daalde. Voor verbruikers met een gemiddeld of hoog verbruik valt de rekening juist iets lager uit dan vorig jaar.
De ACM heeft deze verschuiving bewust doorgevoerd: de werkelijke kosten van een warmtenet zitten vooral in de infrastructuur (leidingen, centrale, onderhoud). Het is logischer die door iedereen gelijk te laten dragen via vastrecht, dan ze door te bereken in een variabel tarief dat alleen drukt op grote verbruikers.
Je nota lezen: wat staat erop?
Een jaarafrekening voor stadsverwarming ziet er anders uit dan die voor gas en stroom. Toch zijn de bouwblokken vergelijkbaar.
Bovenaan staan de leveringskosten warmte: jouw verbruik in GJ × het variabele tarief, plus de vaste kosten (vastrecht warmtenet, huur afleverset, onderhoud). Sommige leveranciers splitsen het vastrecht in meerdere posten; soms staat het er als één bedrag.
Daaronder komen vaak leveringskosten warm tapwater apart, met een eigen vastrecht. Dat is logisch: het tapwater wordt op hogere temperatuur geleverd dan ruimteverwarming, en de afhandeling kost meer. Het tarief voor tapwater per kubieke meter ligt rond de 4,50 tot 5,50 euro.
Let op: bij stadsverwarming betaal je geen energiebelasting op gas (logisch, je krijgt geen gas) en geen netbeheerkosten voor gas. Sommige leveranciers rekenen wel een kleine klimaatheffing of milieubijdrage, maar die zijn aanzienlijk lager dan de energiebelasting op gas zou zijn.
Onderaan staat 21% btw. Net als bij gas en stroom geldt dat de btw op het totaalbedrag wordt berekend, dus ook over het vastrecht en de eventuele heffingen. Trek je termijnbedragen ervan af en je weet wat je terugkrijgt of moet bijbetalen.
Wat verandert er na 2026?
Er ligt al jaren een nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening (Wcw) op de plank. Die wet zou de warmtemarkt grondig herzien: van het NMDA-principe naar tarieven gebaseerd op de werkelijke kosten van de warmteleverancier ('kostengebaseerd'), met meer transparantie en meer ruimte voor gemeentes om regie te voeren.
De invoering is meermalen uitgesteld. De huidige verwachting is dat de wet per 2027 of 2028 ingaat. Voor jou als bewoner verandert er dan in een keer veel: tarieven worden mogelijk per warmtenet verschillend, je leverancier moet boekhouding tonen om tarieven te onderbouwen, en bewoners krijgen meer inspraak via wijkraden of -coöperaties.
De verwachting is dat tarieven gemiddeld stabieler worden, maar wel met verschillen per net. Een nieuw warmtenet met geothermie kan goedkoper worden dan een oud net dat afhankelijk is van een gascentrale. Voor sommige wijken kan dat een meevaller zijn, voor andere een tegenvaller.
In de tussentijd geldt het ACM-maximum als bovengrens. Veel leveranciers rekenen iets onder dat maximum om concurrerend te blijven, ook al kun je niet wisselen. Op je nota staat altijd het werkelijk gerekende tarief — vergelijk dat met het ACM-maximum als je wil weten of je leverancier 'aan de top' zit.